Het is alweer lang geleden, tien jaar om precies te zijn. Een stralende lentezondag op het strand van Noordwijk. Ik viel van een paard – vanuit stilstand weliswaar – maar de landing was genadeloos. Diagnose: een gebroken tweede nekwervel.
Pas later drong het tot me door. Ik begreep hoe flinterdun de grens was geweest tussen een gezond en een heel ander soort leven. Zenuwpijnen, een dwarslaesie, of erger. Als ik daaraan terugdenk, grijpt de angst me soms nog steeds naar de keel. Maar ik had een beschermengeltje en fantastisch ambulancepersoneel dat me vanaf het zand naar het LUMC bracht.
Daar ervoer ik wat écht goede zorg is. Niet alleen medisch maar bovenal ook menselijk. Ik herinner me nog zo goed die jonge dokter. Hij zag mijn ingehouden tranen, pakte mijn hand vast, keek me aan en zei: “Mevrouw, we gaan goed voor u zorgen.” Die paar woorden, die menselijkheid, geven me tien jaar later nog steeds een warm gevoel.
Onderhuidse spanning
Maar als ik terugdenk aan die dag, komt er altijd nóg een herinnering boven. Een herinnering die niet over mijn val gaat, maar over de rit ervoor. We reden die dag met ons vaste groepje en onze vertrouwde begeleider. Dit keer deed er echter een nieuweling mee; iemand die in haar eigen regio zelf een manege runde. Vanaf de eerste minuut hing er spanning in de lucht. Er ontstond een onuitgesproken machtsstrijd. De nieuweling wilde laten zien dat zij geen aanwijzingen nodig had, en onze begeleider liet zich daarin meeslepen. Woorden werden bitser, de sfeer killer.
We lieten het gebeuren
Paarden zijn hypergevoelig; zij voelden die spanning feilloos aan. Wij, de ruiters, ook. De rit voelde onveilig. Ik weet nog dat ik dacht: ik zal blij zijn als we straks weer heelhuids op de manege staan. Ik hield mijn adem in, concentreerde me op mijn eigen paard en zweeg. Toen ik dagen later met mijn nekkraag op de bank zat, zochten we als groep contact. Wat bleek? We hadden allemaal de spanning gevoeld. En níémand van ons had er iets van gezegd. We waren allemaal druk bezig geweest met het managen van onze eigen angst en ons eigen paard. We lieten het gebeuren.
De parallel met de medische wereld
Met de wijsheid van nu zou ik het anders doen. Ik zou de rit stilzetten. Ik zou durven zeggen: “Ik voel hier spanning, dit is niet veilig.” Als ik met dokters werk, vraag ik hen om de mens in de witte jas te laten zien. Om verbinding te maken. Maar verbinding vraagt ook om alertheid op wat er niet wordt gezegd. In de medische wereld is het ‘pluis/niet-pluisgevoel’ een bekend kompas bij diagnoses. Maar durf je datzelfde onderbuikgevoel ook te gebruiken voor de sfeer in de maatschap, de hiërarchie op de OK, of de spanning tijdens de overdracht?
Je voelt dat het wringt
Hoe vaak voel je als dokter dat er iets wringt in het team, dat de druk oploopt, of dat de communicatie verhardt, en kies je er toch voor om – net als ik op dat paard – je hoofd naar beneden te houden en je te focussen op je eigen ‘paard’? Omdat de waan van de dag regeert, of omdat het simpelweg te spannend is om de vinger op de zere plek te leggen?
Luisteren naar wat fluistert
De val heeft ervoor gezorgd dat ik nooit meer op een paard ben gestapt, en dat is helemaal oké. Het heeft me iets heel waardevols gebracht: een diep ontzag voor die interne alarmbel. Onze onderbuik fluistert vaak al ver voordat ons hoofd de situatie heeft geanalyseerd. Of het nu gaat om een patiënt die recht voor je zit, of om de dynamiek met collega’s om je heen: dat gevoel is er niet voor niets. Het vraagt niet alleen om te luisteren, maar ook om de moed te hebben om te handelen. Want pas als we de onderhuidse spanning durven voelen en uitspreken, creëren we een omgeving die écht veilig is. Voor de patiënt, maar zeker ook voor jezelf als dokter.

